De Cleypoel

door Aad van der Geest

De Cleypoel was voorheen het meest zuidelijke deel van de voormalige Lisserpoel, die voor de inpoldering bestond uit de “Noordpoel”, “Zuydtpoel”, “Geestwater” en “Cleypoel”.

De Cleypoel die voor het grootste gedeelte op Sassenheims grondgebied lag, komen we ook tegen als “Cleenepoel”.

in het jaar daarvoor sneuvelde in de dramatisch verloren slag bij Stavoren van de Hollanders onder leiding van graaf Willem IV, tegen de Friezen. “Den Cleypoele” heet het dan. Dirk woonde op het “Huys te Zassenem”dat stond ergens in de buurt van het huidige huis ter Leede. In 1420 zou dit stamslot van de van Sassenheims geheel verwoest worden tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Later komen we dit gebied ook tegen als “de oude Hofstede” in ieder geval was in 1346 één der begrenzingen van Heer Dirk’s voormalig bezit zoals gezegd dus “den Cleypoele”. Een identiek voorval in verband met de Cleypoel betrof de dood van Gerardus Ever (Dever) tijdens diezefde veldslag in Friesland in 1345. Op 7 juli 1346 verkreeg zijn weduwe Vrouwe Claeren (Clara) 18 morgen land in Lisse in leen, die zij in een later stadium dan weer gekocht blijkt te hebben. Een van de begrenzingen van die 18 morgen was de “Colijns horn”.

Cleypoel

Colijns horn begint van s’heren water van Wassenaar,,( dit water moet ongeveer gelegen zijn geweest op de scheiding van Geestwater en Cleypoel) “ zuydtwestwaerts gaet se op ten halve gate toe van den cleenen poel ende noordoistwaerts gaet se totten hornsloot toe”.

We zien dus twee vermeldingen door elkaar lopen t.w. “Cleypoele”en “Cleene(n)poel.”

Op het oog lijkt dit dan ook over twee verschillende items te gaan, maar dat hoeft per definitie niet zo te zijn. In het middelnederlands lexicon staat onder cleempoel/cleenpoel (znw. m.)=klei/leemput of kleigroeve. Onder cleipoel (znw. m.)= kleiput/leemgroeve. Mogelijk was het gebied van de latere Cleypoel oorspronkelijk een kleigroeve die op een gegeven moment is uitgegroeid tot zijn latere omvang. Misschien diende de klei wel als grondstof voor de vervaardiging van de z.g.n. kloostermoppen voor de bouw van de later in de nabijheid verrezen burchten en ridderhofsteden.

De verwarring ligt hem in het feit dat ”cleene” erg op ons huidige “kleine” lijkt en dat de cleypoel ook nog eens de kleinste van de vier voormalige poelen was die tesamen de Lisserpoel vormden. In het middelnederlands dient “kleine” echter geschreven te worden als “clene”. Nu is het maar de vraag hoe het destijds met het dagelijkse taalgebruik van klerken en kaartenmakers was gesteld. In al die eeuwen is er echter geen enkele vermelding die geschreven werd met een enkele “E”, maar altijd werd gebruik gemaakt van de dubbele “E”. De akte uit 1346 stelt overduidelijk “Cleypoele” en op de kaart van Rijnland uit 1615 staat te lezen “Cleen(e)poel”. In de tussenliggende eeuwen komen we meerdere schrijfwijzen tegen zoals : “Cleypoele”, Cleynepoel” en “Cleenenpoel”. De vorm“Cleypoel(e)” overheerst hierbij en na de drooglegging van de totale Lisserpoel in 1624 heet dit zuidelijke deel dan ook meteen “Cleypolder”. Opmerkelijk is het hierbij te vermelden dat met slechts 9 jaar tussen de beide kaarten ( en kaartmakers ) er al een verschil optreedt in schrijfwijzen n.l. “Cleen(e)poel tegenover “Cleypolder “. De bodem van de Lisserpoel bestaat uit naar het noorden toe aflopende oude zeekleigronden met een dun laagje veen van ca. 20 cm. Het gaat hier echter om een droogmakerij, zodat we de oorspronkelijke opbouw van het bodemprofiel even niet voor ogen hebben. De omringende polders zoals de Zemelpolder, de Hellegatspolder, de Bonte Krielpolder, de Floris Schouten Vrouwenpolder e.d. behoren tot de strandvlaktezandgronden op klei ( op veen ). Dit profiel dienen we in gedachten door te trekken naar de Lisserpoel om zo tot de oorspronkelijke opbouw hiervan te komen. In de Zemelpolder is sprake van een overstoven dunne kleilaag op het veen, die in zuidelijke richting dikker wordt. Dit zal het beeld van de Lisserpoel vóór de ontvening ook geboden hebben. Niet onmogelijk is de concentratie klei in de ondergrond van de latere Cleypoel net iets dikker geweest dan elders en is men daar gebruik van gaan maken.

Kaart Floris Balthasars 1611

Kaart van de streek uit 1615 van Floris Balthasar

In ieder geval was er in 1346 al zoveel materiaal uit de ondergrond weg dat er al van een heuse poel sprake was die ook nog eens het adjectief “Klei” meekreeg. Al met al moet de conclusie luiden dat ondanks de verschillende schrijfwijzen door de eeuwen heen de vermelding “Cleypoel(e)”het vaakst voorkomt.

Gezien de opbouw van de voormalige ondergrond en juist de middelnederlandse betekenis van die aanduiding “Cleypoel” en de tijdsbalk waarin deze voorkomt kunnen we concluderen dat de “Cleypoel”zijn naam met ere draagt. Los gezien van het feit dat na de drooglegging van de Lisserpoel in 1624 de naam op kaarten voorkomt als “Cleypolder” is deze naam na bijna 400 jaar nog steeds niet ingeburgerd en spreken we met name in Sassenheim nog steeds van de “Cleypoel”.

Het Sassenheimse gedeelte van de Cleypoel bestaat uit 24 kavels en is 23 hectare en 24 are groot.

Bronnen:

Hulkenberg A.M. “Het Huis Dever te Lisse” E.B. Zaltbommel 1966

Hoogheemraadschap van Rijnland, informatie augustus 2013.

Klooster L.J. van der   “De oude hofstede en haar bewoners “, De Nederlandsche Leeuw jaargang 76 1959

Meer K. van der   “De Bloembollenstreek” ( resultaten van een veldbodemkundig onderzoek in het bloembollengebied tussen Leiden en het Noordzeekanaal) Proefschrift Staatsdrukkerij ’s Gravenhage 1952

Pijnenburg W.J.J. en Schoonheim T.H.  Middelnederlands Lexicon Schiphouwer en Brinkman   Amsterdam 1997

Wallenburg C. van Ir.   “De bodem van Zuid-Holland” Stichting bodemkartering Wageningen 1966

 

Sponsor Uitgelicht